LE TEMPS S’IMMOBILISE

Goh. Al meer dan een week zit deze blog zachtjes te pruttelen in mijn hoofd. Ik vind mijn woorden niet, ik ben sprakeloos, en nu weet ik hoe dat komt.

Het is hier gewoon te mooi voor woorden. Letterlijk. Groene gletsjers van fris gras op scherpe bergruggen tussen vele, vele tinten groen, oranje en blauw. Uit de natuur gehouwen statige kastelen, onbereikbaar hoog en steil. Watervallen. Palmbomen. Wit zand, zwart strand.
Ik moet een boekje maken met superlatieven. Les Supermarquises.

De mensen dan. De vrouwen dragen bloemen in hun haar, ook de oude besjes, en soms sommige mannen ook. Les femmes sont lascives au soleil redouté.

Iedereen is vriendelijk. Er is vertrouwen. Aan land gaan en vrouwen ontmoeten die hun kinderen ‘meegeven’ om ons rond te leiden in het dorp. Een vrouw aanspreken op straat, met de vraag welke vrucht dit is en of we het kunnen eten. Nadia neemt ons mee naar haar huis en laat ons proeven van haar broodvruchtbereidingen. Later leren we dat je er ook frietjes van kan bakken. Heerlijk.

In een winkeltje van amper 12 m² in Ua Pou vragen we naar verse groenten en fruit. We krijgen een tiental pompelmoezen mee en een doos bananen. Gewoon. Gratis. Want er is toch genoeg.

We voelen ons welkom, er zijn weinig toeristen buiten de zeilers. Op weg naar het dorp hoeven we niet te liften, ze stoppen zo ook wel om ons mee te nemen.

Kippen, honden en geiten lopen vrij rond. Paarden staan overdag te grazen op stille velden, en worden ’s avonds opgehaald door jongens die vlotjes op de rug springen en naar huis galopperen.

Et par manque de brise, le temps s’immobilise, aux Marquises.

Mijn woorden zijn op. Luister misschien gewoon eens naar ‘Les Marquises’ van Jacques Brel. Die kon het beter en mooier samenvatten dan ik.

BESTE WALVIS

Beste Walvis,

Wij zijn aangekomen op onze bestemming, na een tocht van bijna drie weken. Ik heb de hele tijd heel erg uitgekeken – en dat mag u ook letterlijk nemen – naar een ontmoeting met u. Het is er niet van gekomen, en dat begrijp ik. U heeft het waarschijnlijk druk-druk-druk, zoals iedereen.
U heeft wel een kort bezoek aan Dr NO gebracht. Ik neem u dat niet kwalijk, al moet ik toegeven dat ik een zweem van afgunst heb ervaren toen ik dat vernam.
Maar ik blijf hopen. Misschien past het de komende maanden eens, ergens op deze Stille Oceaan?
Van harte dank om dit te willen overwegen.

Met nederige groet,
Karina

PS: als bijlage bij dit schrijven vindt u fragmenten uit mijn oceaandagboek, waarvan ik hoop dat ze u zullen vermaken.

Donderdag 3 mei
De tweede avond, bij zonsondergang, dansen de manta’s een spectaculaire choreografie: ze springen op uit het water, fladderen en draaien om hun as, en pletsen met een ferme knal terug in het water.
Wat later worden we begeleid door grote dolfijnen, die traag naast ons zwemmen. Ik hoor ze ademen en proesten als ze boven water komen.
Intussen is het donker en ik hou mijn tranen niet tegen. Zoveel schoonheid is een heel pak om te verwerken voor een mens.

Maandag 7 mei
De simpelheid begint toe te slaan. ’s Avonds spelen Wouter en ik blokfluit (Jingle Bells, Broeder Jakob). Bij de aflossing van de wacht rond een uur of twee ’s nachts vraag ik hem of er veel verkeer was, de voorbije uren. ‘Goh, viel wel mee’, zegt hij, ‘twee kayakkers en een stoomschip.’

Dinsdag 8 mei
De oceaan was wat onstuimig de voorbije dagen, en ik ben blij dat het over is. Na een jaar aan boord ben ik er intussen al in bedreven om de dingen met één hand te doen. De andere hand heb je nodig voor steun om je recht te houden. Ene Luc H. uit SN vertelde me zo’n dertig jaar geleden dat je niet kan vallen als je ten minste 3 steunpunten hebt. Dat kunnen 2 voeten en een hand zijn, of een heup enz. Ik heb dat altijd onthouden en ook vaak toegepast. Waarschijnlijk komt de theorie uit de bergbeklimmerij, waar je weinig kans maakt op onverwachts naar de andere kant overhellende bergwanden, of bewegende bodems.

Donderdag 10 mei
De tijd vliegt, zeker met mooie muziek op de achtergrond. Ik luister naar Noah and the Whale, en denk aan Walvis.

Zondag 13 mei
Doordat we slechts met z’n tweeën zijn om wacht te lopen (wat wel dubbel zoveel is als Erik op Dr NO – we mogen niet klagen), splits ik mijn nachtrust op in twee delen. Hierdoor heb ik twee keer per dag een ochtend, waardoor ik recht heb op twee keer mijn twee espresso’s na het opstaan. Het leven kan zo eenvoudig zijn.
De baard van Wouter is nu al zo lang dat hij er van alles in kan bewaren.
Alle pijlinktvisjes lijken op Kabouter Wesley.

Maandag 14 mei
Wouter en ik vergrijpen ons sinds een paar dagen aan ‘binge-reading’. Hij leest 1275 pagina’s Murakami. Ik hou het veilig, anders slaap ik niet meer, en lees dan liever verschillende dunnere boeken. Doet me denken aan mijn vakanties in het zuiden van Frankrijk, waar ik, in mijn hangmat, hele dagen en nachten bleef doorlezen. Een zee van tijd.

Donderdag 17 mei
Gisteren rijstpap gemaakt. Tong verbrand.
Ik heb een TO DO – lijstje gemaakt, maar het dan veranderd in WANT TO. Ik wil geen ‘moet-ik-nog-doen’ meer. Op het werk vroeger groeide mijn TO DO sneller aan dan dat ik kon schrappen. Dweilen en kraan. Met een WANT TO word je gelukkig als je iets kan schrappen, maar ook als er iets bij komt. Of niet?

Vrijdag 18 mei
Nog ongeveer 700 mijl te gaan. Ik schat nog een dag of drie, vier.
Ik neem alle tijd om een challe te bakken, een joods brood met honing. Prachtig om te zien ook, het is een vlecht. Het duurt een uur of vier voor het klaar is, maar door het raampje in de galley zie ik een stuk van de horizon aan de zuidkant, en ik blijf al knedend speuren naar Walvis.

Vrijdag 18 mei, avond
Vanavond, en dat zijn van die verhalen die niemand gelooft, maar ik vertel het toch, is er een vliegende vis in mijn gezicht gevlogen.
We hadden net een lichtje gespot in de verte, waarvan we dachten dat het wel een zeilboot moest zijn, maar toen was het weg. Ik bleef nog wat zitten turen naar de horizon. En plots: pàts! Op mijn rechterwang!
Ik schrok me halfdood, zag toen de vis spartelen naast mij in de kuip, maar hij was te glibberig om vast te houden en hij viel op de grond. Bij zijn vleugels gepakt en snel terug in het water gezwiept.
Echt. Niet. Normaal.

Zondag 20 mei
Voor niets gaat de zon op. De zon gaat op voor niets. De zon gaat voor niets op. Of voor alles. En voor iedereen. Helemaal gratis en voor niets. Dus tóch.

Maandag 21 mei
ETA morgenmiddag. Laatste kans, Walvis, laatste kans.
Drie weken is lang. Je vindt wel wat bezigheden (CD’s branden, kasten uitkuisen, zakjes thee sorteren, brood bakken, brood bakken en brood bakken, kleren verstellen, honderd selfies maken), maar nu mag er een stukje land komen. Wat groen, andere mensen, een frisse pint, benen strekken.

Dinsdag 22 mei
06:05 uur: land in zicht! Làààànd! We varen een heel eind langs de kust van Hiva Oa, waar Jacques Brel destijds wellicht ook gevaren is. Nieuwsgierige vogels komen eens kijken en blijven rond de boot hangen. En wat later komt een tiental dolfijnen een eindje meezwemmen. Kijk, daar word ik dus verschrikkelijk goedgezind van.
Wanneer we de prachtige baai van Atuona binnenvaren, het is al bijna middag, wordt het me weer te machtig en eindig ik de tocht zoals ik hem drie weken geleden begonnen ben: met tranen.

PUUR

Heel strenge voorwaarden, om in Galàpagos te mogen zijn. Erik was er maanden op voorhand mee bezig. Paperassen, paspoorten, vergunningen. Certificaat van fumigatie (preventieve behandeling tegen beestjes op de boot). No plants. No animals. No fresh cheese. Romp volledig schoon. Bordjes met ‘Do not throw garbage overboard’. Afvalsorteerplan.
Mijn hibiscusplantje, dat ik in december in Martinique kocht en met veel zorg vier maanden in leven heb kunnen houden, was niet welkom in Galàpagos. Ik heb het onderweg op een nacht – toen we de evenaar kruisten – overboord gegooid. Zo’n onschuldige plant, en toch niet mee mogen naar Galàpagos. Tss.

Maar toen we, na een oversteek van zes dagen vanuit Panama het eerste eiland traag zagen voorbij schuiven, werden we allemaal stil. We waren met z’n zevenen, stonden op het dek, en zwegen. ‘Zo mooi’, fluisterde iemand. Magisch.

San Christobal krioelt van de zeeleeuwen. Overal staan borden dat je twee meter afstand moet houden, maar dat is hopeloos. Ze liggen midden op het gangpad, hangen lui in onze bijboot, slapen op en onder de bankjes aan wal.

Het prachtige eiland Isabela ligt dan weer bezaaid met honderden leguanen. Uitkijken waar je stapt.
Daar vertelde een andere zeiler ons dat je hier een jaar de gevangenis in gaat als je een kat aan land probeert te smokkelen. Echt buiten proportie, maar nu begrijp ik waarom ze hier zo streng zijn. Het is de enige manier om fauna en flora te beschermen. De bijna uitgeroeide reuzenschildpad wordt gered door het allemaal puur te houden.

Galàpagos is van de dieren, en de mens lijkt dit hier goed begrepen te hebben.
En de dieren zelf ook: het piepkleine vogeltje op de stoep, amper zo groot als een ei, was niet bang toen ik naderde, en pikte rustig voort. En ik, dankbaar voor zoveel vertrouwen, mocht het van op een halve meter gadeslaan.

Ik ben nu een jaar aan boord. Vorig jaar vroeg een journaliste me hoe ik wou terugkomen, na drie jaar wereldreis. ‘Helemaal uitgepuurd’, zei ik. Plaatsen zoals Galàpagos helpen mij daar bij.

LOSLATEN

“Wij reizen om te leren.” Erik zegt het bijna elke dag. Ja, er is veel te leren en te ontdekken: over de natuur, het zeilen, de mensen en de plaatsen waar we komen.

De pelikanen hier zijn bruine pelikanen, en hebben een andere vistechniek dan die soort met een zak aan hun bek. Schitterende educatieve docu’s, live voor onze ogen, van ’s ochtends tot ’s avonds.

En het Panamakanaal! Ik herinner me nog vaag een hoofdstukje Panamakanaal ergens in het middelbaar. Saai, man! Maar als je er zelf door vaart, leer je dingen die je nooit meer zal vergeten.

Dat ze een reusachtig gebied hebben laten vollopen voor het kanaal (nu ‘Gatún Lake’). Dat er geen enkele schroef in de sluispoorten zit. Dat er tienduizenden arbeiders gestorven zijn. Dat de bouwleider een Belgische immigrant was, van Stekene dan nog – of all places. Voor het imposante gebouw van de administratie van het Panamakanaal staat een gigantisch monument met de naam ‘Goethals’ er op. Nu gij.

We reizen om te leren. Meestal bedoelt Erik echter: “… om onszelf beter te leren kennen.”

Er zijn zoveel gevoelens die ik het voorbije jaar hier aan boord had die ik liever niet heb, maar toch steken ze de kop op.

Frustratie. Omdat de gasfles leeg is op het moment dat ik een brood in de oven heb.

Verdriet. Omdat ik Maya mis.

Verontwaardiging. Omdat ik iemand tegenkom die onvriendelijk is.

Boosheid (uit de hand gelopen frustratie). Ongeduld. Argwaan. Zelfmedelijden.

Erik heeft er weinig last van. En als het dan toch eens naar boven komt? Dan denkt hij aan zijn grote voorbeeld (“gij kunt nooit raden wie dat is”). “Tante Maggie,” zeg ik. Ik moest er zelfs niet over nadenken.

Juist. Hoe zij in het leven staat, deze fantastische 82-jarige vrouw, daar mag ook wel eens een monument voor gebouwd worden. “Als er een probleem is, en je kan het oplossen: maak je niet druk. Als er een probleem is en je kan het niet oplossen, dan heeft het ook geen zin om je druk te maken.”

“Laat het los, kindje,” zegt ze.

Loslaten. Dat doe ik nu. En: “Praat alleen als wat je zegt mooier is dan de stilte.”

Dat leren wij hier allemaal op reis. Tante Maggie is dan wel in België, maar dan noemen we het toch gewoon ‘afstandsonderwijs’? 🙂

HET LEVEN ZOALS HET IS

Panama. Na een redelijk ruig tochtje van vijf dagen in een nieuwe wereld aangekomen. De oversteek deed ik met Dr. NO. Wat een plezante boot is dat toch! Ik noem het een ‘concrete’ boot: omdat er minder technische snufjes aan boord zijn dan op Le Grand Bleu, begrijp ik ook veel beter hoe alles werkt.

Eindelijk tijd gekregen/gevonden/gemaakt/genomen om bij te praten met mijn broer. De beginselen van de sextant van hem geleerd (voor wie het niet kent: even googlen). Boek gelezen over de samenlevingsproblematiek in België (nogmaals dank voor dit prachtig cadeau, Geert!), al is dit zoooo ver van mijn bed nu.

Panama dus. Bij aankomst enorm onder de indruk van de gigantische cargoschepen en de grote zwermen pelikanen.

Hier gaan we binnenkort door het Panamakanaal, naar de Stille Oceaan, voor het begin van een nieuw hoofdstuk van onze wereldreis. Je verlegt voortdurend letterlijk je grenzen. Ik weet nog hoe ik in Mindelo ongeveer hetzelfde gevoel had toen we vertrokken voor de oversteek van de Atlantische Oceaan. Ik dacht: “Nu is het voor echt.” En nu denk ik: “Nu is het écht voor echt.”

Om alles te regelen voor de doortocht van het Panamakanaal en om rustig wat kleine werkjes te doen, liggen we in een haventje, niet zo ver van Colon. Shelter Bay Marina is met stip de leukste haven tot nu toe: er is een zwembad, de douches zijn proper, er is internet, een café en een restaurant, een atelier om te werken, een wasserette, … Maar vooral: een hechte ‘community’. Een groepje anciens zorgt voor de sociale cohesie: vrijdag happy hour, zaterdag vrij podium, zondag potluck. Vandaag kreeg ik een hartelijke knuffel van Manuella, omdat ik haar voor liet gaan in de wasserette.

Echt leuk. Als je voor anker ligt heb je dit soort sociale contacten veel minder.

En de tweede avond stapte er een zatte Noor bij ons aan boord die zich voortdurend verontschuldigde voor het feit dat hij te veel gedronken had. Hij verdween om te gaan slapen, maar stond een half uur later weer aan onze boot. Weg kwijt. Zijn lief is hem dan komen halen om hem ‘naar huis’ te begeleiden.

Wat later, ’s nachts al: een oude Canadees uit Vancouver, die zo blij was dat ik wist wat ‘Métis’ was, want dat was hij, al ontdekte hij het pas toen hij al 45 was.

Het leven zoals het is. Iedereen heeft zijn verhaal, en het is zo mooi dat wij mogen meeschrijven aan elkaars verhalen.

EILAND

Wat ik het mooiste eiland vond tot nu toe, vroeg Nicole’s dochter me, ergens in augustus. “Sardinië,” zei ik, zonder aarzelen. “Maar ook Vulcano, en Ustica. Prachtige Italiaanse eilandjes.” Twee weken na die uitspraak zette ik Formentera op nummer 1.

Mijn beoordelingen zijn totaal subjectief, en soms zelfs gebaseerd op vage, korte indrukken. Lanzarote bijvoorbeeld. Niet mooi. Maar ik heb niets van het binnenland gezien. Misschien was het daar wèl groen en niet zo desolaat? En het Kaapverdische Sal had me misschien toch aangesproken als de armoede en de barre levensomstandigheden van de bewoners daar me niet zo aangegrepen had.

Formentera mocht lang blijven staan, maar wordt nu – een half jaar later – van de troon gegooid.

De Caribische eilandjes zijn allemaal wel de moeite waard. Martinique, echt Frans met baguettes en croissants. Betalen in Euro. Een mooi gemengde bevolking, gigantische bananenplantages, en een wat rommelige (nonchalante) ruimtelijke ordening. Ik bezocht er met Maya een prachtige waterval, na een uitdagende klauterpartij door sterk stromend water waarbij onze zwembroek bijna letterlijk afzakte.

Ten zuiden van Martinique: St. Lucia, Engelstalig, en even wennen aan de East-Carribean Dollar. Marigot Bay, waar ik op één dag vijf keer van ’t straat zou geweest zijn, als ik dat had gewild: “Are you married? I prefer white women. Black women are soooo difficult!”

En dan: Bequia! Heerlijk eiland, blije mensen, de huisjes in vrolijke kleuren. Daar zou ik ooit nog wel willen blijven plakken. Ik heb er al een schattig oranje huisje gezien, wat hoger gelegen, met een prachtig uitzicht op de Caribische Zee. De bevolking is er zeer ondernemend: er zijn tal van leuke bars, winkeltjes, en stalletjes met zelfgemaakte spulletjes. Heerlijke lokale groenten en fruit. Het strand onbezoedeld en rustig.

Mustique hebben we even bezocht om te zien wat daar nu zo bijzonder aan was, gezien al die beroemdheden die er hun ‘optrekje’ hebben: Bill Gates, Mick Jagger, Tommy Hilfiger, … Zo’n mensen dus. Heel net eiland. Strakke tuinen. De lokale supermarkt ziet er uit als een goed onderhouden Engelse cottage, maar de producten zijn er afschuwelijk duur. Not my cup of tea. Maar zoals gezegd: totaal subjectief, en gebaseerd op vage, korte indrukken.

En toch had ik maar enkele uren nodig om er zeker van te zijn dat de Tobago Cays absoluut op nummer 1 moeten. Onbewoond, al zorgen mannen van naburige eilanden wel voor een stalletje hier en daar, en organiseren ze er barbecues met verse kreeft.

Waar ik voet aan wal zette op de Tobago Cays zag ik voor de eerste keer in mijn leven een leguaan (die heel dicht durfde te komen), verbaasde ik me erover hoe lekker mals en koel een strand kan aanvoelen en hoe gigantisch groot schelpen kunnen zijn. Ik zal er nooit kunnen blijven plakken – het is onbewoond, en beschermd natuurgebied – maar dit was toch het mooiste.

“En dan heb je de Malediven nog niet gezien,” zei Francine, die twee weken te gast was op ons schip.

Wordt vervolgd.

AFSTAND

Pas toen ik Maya’s vlucht boekte naar Martinique zodat we met Kerstmis samen zouden zijn, begreep ik welke afstand we al afgelegd hebben. Als zij meer dan 10 uur moet vliegen om vanuit München naar mij te komen, hoe ver zijn we dan van elkaar verwijderd?
Naar mijn gevoel was ik meer dan acht maanden geleden gewoon op de boot gestapt en zijn we op het gemak beginnen varen. De temperatuur is al die tijd lekker zomers geweest, en er soms zelfs een beetje over. Geen seizoenen, geen tijd, geen afstand.

Ja, ik heb tijdens die grote oversteek van de Atlantische Oceaan wel elke dag een kruisje gezet op onze route. O, we zijn daar al. Waw, nog een paar dagen en we zijn er.
Maar 10 (tien!) uur vliegen? Zo ver?

Ik was ook wel wat van mijn melk toen ik hier de maansikkel zag, die niet links of rechts stond, maar er uitzag als een vrolijk naar boven krullende smiley. Ik heb Geert – voor mij en vele anderen een expert in sterrenkunde – moeten inschakelen om het mij uit te leggen. Geert: “Dat komt omdat je quasi op de evenaar bent.” Ik: “Maar hoe kan dat dan?” Hij: “Omdat de aarde rond is.”
Omdat de aarde rond is.
Hoeveel afstand heb ik dan al afgelegd met ons schip dat ik de maan al liggend zie omdat de aarde rond is? En waarom heb ik dat onderweg niet zien veranderen? Volgende keer beter opletten.

Het tijdverschil (-5 uur) had ook een goede indicator van de afgelegde afstand kunnen zijn, maar we hebben ons tijdens de oversteek van 16 dagen netjes aan de wijzigingen van de tijdzones gehouden. En elke drie of vier dagen de klok een uurtje terugzetten, dat veroorzaakt bij niemand een jetlag.

En nu wordt de afstand steeds groter. In oktober 2018 zullen we aankomen in Australië, ongeveer halfweg van onze wereldreis. Ik zal Maya tot dan niet zien. Ze zal dan al 23 geworden zijn.
Op de luchthaven, tijdens de laatste knuffel voor de gate, zei ze: “Gelukkig Nieuwjaar, Zalig Pasen, fijne Moederdag.” Ik: “Ja, en jij ook alvast een gelukkige verjaardag.” Ik grijnsde wat in een poging mijn tranen te bedwingen.

Maar eerder die dag, op een pleintje in Fort-de-France, wees ze naar een duif en zei ze: “Kijk nu, die heb je toch echt overal hé?”
En ik blijf achter met een kleurrijke verzameling knutselfrutseldingetjes van haar hand.

En dan lijkt alles soms niet zo ver meer.

16 DAGEN OP DE OCEAAN

Het had een sociaal experiment kunnen zijn: we zetten 6 mensen die elkaar nauwelijks kennen op een zeiljacht. En dan laten we die samen de Atlantische Oceaan oversteken. Kijken wat er gebeurt. Goeie televisie.

Op sensatie, achterklap en drama hebben we slecht gescoord. We maakten wel een mooie film over vrijheid, vriendschap en teamwork. En soms zaten we gewoon met z’n allen gezellig met de slappe lach.

Wat doet een mens hele dagen op de oceaan? In het begin: turen in de verte of er geen andere schepen te zien zijn, of walvissen (en ja hoor: op dag vier meerdere fonteintjes op zee). Vliegende vissen tellen. Lachen naar dolfijnen.

Lezen. Slapen. Ieder uur logboek invullen. Koken, vertellen, zingen, afwassen, dansen. Brood bakken. Op grootmoeders wijze de handdoeken op het vuur afkoken. Was ophangen. Een scheurtje in de bimini herstellen met stalen naald en draad.

Met twee Nederlanders, een Duitser en drie Belgen is het altijd onderhoudend. Momo (D): ‘I was thinking …’, wordt guitig onderbroken door Reinier (NL): ‘Oh, you were sinking?’. En een taske koffie vinden Ruud en Reinier niet alleen lekker, maar ook hilarisch.  En ook mooi: ‘vlinderen’ is bij de Nederlanders ‘melkmeisje’. Lief, toch? En door het gemis aan internet en zoekmachines nemen we alle tijd om zelf vrolijk te freewheelen over mogelijke antwoorden op vragen zoals ‘hoeveel water zit er nu in die Atlantische Oceaan’ en ‘wie is die acteur nu weer in die film waarvan we de titel vergeten zijn’.

Gijpen. Koers bijstellen. Elke dag om 12.00 uur een kruisje zetten op de kaart (‘we zijn bijna in de helft!’). Film kijken (Yes Man), om daar een half uur later mee te stoppen omdat de batterij van de laptop leeg is. Momo in de mast hijsen om er een unidentified touwtje te verwijderen dat misschien later voor problemen zou kunnen zorgen. Naast genua en grootzeil ook nog de fok uitrollen, gewoon omdat het kan, we er de tijd voor hebben en om te zien wat het effect is op onze snelheid. Een batterij-alarm installeren (een makkie met die verzamelde technische knowhow aan boord). Vissen, met wisselend succes: twee wahi wahi’s en een zeebaars. Een bijna-tonijn en een bijna-barracuda.

Eten. 15 kg aardappelen, 16 kg bloem, 3 kg rijst, 4 kg pasta, 2 kg boter, 1 liter olijfolie, 56 eieren, 400 g mosterd, 1,2 kg chocolade, 7 kg kaas, 1 kg hesp, ongeveer 40 builtjes thee, 2 kg ajuinen, 10 bananen, 7 appels, 3 kg courgettes, 500 g kalkoenfilet vers, 4 hamburgers vers, 1 kg avocado’s, 4 kg tomaten, 1 kg komkommer, 1 kg witte kool, 2 kg wortelen, 4 kroppen sla, 5 bussels koriander, 2 bussels bieslook, 4 bollen look, 1 kg rode paprika, 1 kg groene paprika, 3 liter yoghurt, 2 liter room, 15 liter spuitwater, 27 liter appelsiensap, 16 liter melk, 3,2 kg rode bonen blik, 440 g rode paprika glas, 1,2 kg kikkererwten glas, 400 g linzen glas, 1,3 kg corned beef, 3,5 kg tomaten blik, 1,2 kg balletjes in saus blik, 1,2 kg champignons blik, 700 g tomatenpuree, 30 hot dogs, 20 bockwursten, 3 potten confituur, 3 potten choco, 560 ml ketchup, 3 kg koffie, 1 kg mayonaise, 425 g spinazie glas, 1,6 kg augurken, 1 kg asperges glas, 600 g prinsessenbonen glas, 400 g rode biet glas, 1 kg artisjok glas, 1 kg tonijn blik, 1 kg gedroogde linzen, 600 g olijven blik, chips en nootjes, crackertjes, koekjes. En drie verse vissen :-).

Zestien dagen. Ik geef toe dat ik het na een dag of zeven wat moeilijk had: het duurde te lang, het ging te traag vooruit. Maar een dag later was het weer goed. En nu, na 16 dagen, lijkt het alsof het pas gisteren was dat we Jack stevig vastsnoerden op het voordek, Gerd en Kristel ons uitzwaaiden (meisjes, jullie hadden er bij moeten zijn!), en we nog een laatste foto maakten van ons zes op het achterdek, om te zien of we veranderd zouden zijn bij aankomst. Want iemand zei me onlangs: ‘Als je de oceaan bent overgestoken, ben je een ander mens.’ Geen idee of dat zo is.

Ik loop wel al de hele week met dat ene zinnetje in mijn hoofd, uit een lied van Anthony and the Johnsons: No one can stop you now.

TIJD

Hoe laat het hier nu eigenlijk zou zijn, vragen we ons alledrie bijna tegelijk af. Na aankomst in Sal, Kaap Verdië, zijn we bezig geweest met slapen, internet zoeken, poetsen, schrobben en eten.

Ineens wordt tijd weer belangrijk. Tijd is een afgesproken maat om samen te kunnen leven in een maatschappij. “Morgen tussen halfnegen en tien kom je hier je stempel halen voor je paspoort,” zei de politieagent in Sal. Als je dan je klok niet gelijk zet, krijg je problemen.

Geen tijd hebben. Managers mogen geen tijd hebben, want anders zijn ze niet efficiënt aan het werk.

Tijd màken is ook zoiets. Sommige mensen kunnen tijd maken voor iets. Terwijl anderen dan weer geen tijd hebben voor om het even wat. Daar zou ik wel een zaakje in zien.

Ik had geen tijd tijdens de overtocht van Lanzarote naar Sal. Omdat hij er gewoon niet was. Ook niets om me aan tijd te herinneren (we hadden wel een afspraak om van wacht te wisselen, en die was gebaseerd op tijd).

Maar verder: véél, of net geen tijd. Wanneer het was of hoe lang het duurde dat een dertigtal dolfijnen kwam spelen naast de boot weet ik niet. Ze waren anders: de rug grijs met donkergrijze stippen; de buik lichtgrijs met witte stippen.

Misschien heb ik uren getuurd naar vliegende vissen, want Momo had er al gezien, en uiteindelijk zag ik ze ook: hele zwermen, meters ver vlogen ze boven het water, met zwarte rug en witte buik (later vonden we op het dek een vijftal vliegende vissen, die zich jammerlijk genoeg wat mispakt hadden tijdens hun korte vlucht).

Hoe lang ik ’s nachts gekeken heb naar de oceaan weet ik ook niet. Ik zoefde door het heelal: boven de horizon alle sterren van de wereld; daaronder het zwarte water met flitsende fluorescerende lichtjes (algen? visjes?). En dan zweven. Voor de wind. Warme wind.

Niemand wil gaan slapen dan. Wanneer het tijd is om te gaan slapen, daar heb je geen klok voor nodig. Naar je brooddeeg kijken dat alle tijd krijgt om te rijzen. Dat telt.

Nu, op het eiland Sal, zetten we onze klok een uurtje terug, maar het maakt niet zoveel uit hier. Als ik in het café vraag om hoe laat de bus komt die ons terug naar de baai kan brengen waar we voor anker liggen, wordt er wat verward gereageerd. “Om de 15 minuten misschien?” probeer ik te helpen. Neen. Gewoon. Ga op straat staan en de bus komt. En ja, hij kwam.

Voilà. Nu gij.

MOMO

Lanzarote. Ik weet niet wat ik er van vind. Ik mis hier toch wel wat groen, al doen ze hun best met cactussen, aloë vera en palmbomen. Het landschap is robuust en desolaat. Grijs, zwart en rood. Met de volle maan onlangs leken we wel op een andere planeet te zitten. Lava heeft van dichtbij wel een mooie, natuurlijke structuur – maar het blijft zwart.

We hebben samen met Lieven, Christel en Monia helemaal rond het eiland gezeild, en vanop het water zie je mooie, witte dorpjes, de huisjes als kleine maquettes in het donkere landschap gestrooid.

Terug in Marina Lanzarote, waar zowat alle zeiljachten zich net zoals wij voorbereiden op de grote oversteek naar de Caraïben, zijn er nog steeds enkele jonge lifters op pad: ze schuimen de pontons af op zoek naar een ‘rit’ naar de Caraïben of verder. Sommigen maken een echte advertentie en hangen die op in de toiletten: “Kok nodig? Iemand om ’s nachts de wacht te houden tijdens de oversteek? Dek schrobben? Ik doe het allemaal!”

Momo, een jonge Berlijner, sprak me aan toen we nog in de haven van La Línea de la Concepción lagen, vlakbij Gibraltar. Hij was ook op zoek naar een lift. Dat is nu al meer dan een maand geleden. Eerst zouden we hem een lift geven tot in Rabat, en dan zien of het klikte. Het klikte. Momo stak mee over tot in Lanzarote.

Momo is fijn gezelschap; als we ’s ochtends vroeg met ons tweetjes koffie drinken, vertelt hij wat hij de avond voordien nog heeft gedaan, en wat zijn plannen zijn voor de dag die komen zal. Legt me uit hoe hij een bepaald technisch probleem denkt te kunnen oplossen. Vertelt hoe hij nog op een avocadokwekerij gewerkt heeft, en hoeveel hij houdt van natuurlijke olie op hout. Maar stelt zich ook luidop de vraag wat hij nu eigenlijk vindt van het verplicht dragen van een uniform op school. En doet enthousiast wist-je-datjes: dat er dertien plantensoorten zijn die alleen op Lanzarote groeien. En hoe de boeren hier een creatieve oplossing vonden voor de irrigatie van hun gewassen.

Binnenkort steekt Momo mee over naar de Caraïben. En van daaruit gaat hij op zoek naar een lift met een boot die naar Zuid-Amerika vaart.

Maar stiekem hoop ik dat hij nog wat langer bij ons blijft.