16 DAGEN OP DE OCEAAN

Het had een sociaal experiment kunnen zijn: we zetten 6 mensen die elkaar nauwelijks kennen op een zeiljacht. En dan laten we die samen de Atlantische Oceaan oversteken. Kijken wat er gebeurt. Goeie televisie.

Op sensatie, achterklap en drama hebben we slecht gescoord. We maakten wel een mooie film over vrijheid, vriendschap en teamwork. En soms zaten we gewoon met z’n allen gezellig met de slappe lach.

Wat doet een mens hele dagen op de oceaan? In het begin: turen in de verte of er geen andere schepen te zien zijn, of walvissen (en ja hoor: op dag vier meerdere fonteintjes op zee). Vliegende vissen tellen. Lachen naar dolfijnen.

Lezen. Slapen. Ieder uur logboek invullen. Koken, vertellen, zingen, afwassen, dansen. Brood bakken. Op grootmoeders wijze de handdoeken op het vuur afkoken. Was ophangen. Een scheurtje in de bimini herstellen met stalen naald en draad.

Met twee Nederlanders, een Duitser en drie Belgen is het altijd onderhoudend. Momo (D): ‘I was thinking …’, wordt guitig onderbroken door Reinier (NL): ‘Oh, you were sinking?’. En een taske koffie vinden Ruud en Reinier niet alleen lekker, maar ook hilarisch.  En ook mooi: ‘vlinderen’ is bij de Nederlanders ‘melkmeisje’. Lief, toch? En door het gemis aan internet en zoekmachines nemen we alle tijd om zelf vrolijk te freewheelen over mogelijke antwoorden op vragen zoals ‘hoeveel water zit er nu in die Atlantische Oceaan’ en ‘wie is die acteur nu weer in die film waarvan we de titel vergeten zijn’.

Gijpen. Koers bijstellen. Elke dag om 12.00 uur een kruisje zetten op de kaart (‘we zijn bijna in de helft!’). Film kijken (Yes Man), om daar een half uur later mee te stoppen omdat de batterij van de laptop leeg is. Momo in de mast hijsen om er een unidentified touwtje te verwijderen dat misschien later voor problemen zou kunnen zorgen. Naast genua en grootzeil ook nog de fok uitrollen, gewoon omdat het kan, we er de tijd voor hebben en om te zien wat het effect is op onze snelheid. Een batterij-alarm installeren (een makkie met die verzamelde technische knowhow aan boord). Vissen, met wisselend succes: twee wahi wahi’s en een zeebaars. Een bijna-tonijn en een bijna-barracuda.

Eten. 15 kg aardappelen, 16 kg bloem, 3 kg rijst, 4 kg pasta, 2 kg boter, 1 liter olijfolie, 56 eieren, 400 g mosterd, 1,2 kg chocolade, 7 kg kaas, 1 kg hesp, ongeveer 40 builtjes thee, 2 kg ajuinen, 10 bananen, 7 appels, 3 kg courgettes, 500 g kalkoenfilet vers, 4 hamburgers vers, 1 kg avocado’s, 4 kg tomaten, 1 kg komkommer, 1 kg witte kool, 2 kg wortelen, 4 kroppen sla, 5 bussels koriander, 2 bussels bieslook, 4 bollen look, 1 kg rode paprika, 1 kg groene paprika, 3 liter yoghurt, 2 liter room, 15 liter spuitwater, 27 liter appelsiensap, 16 liter melk, 3,2 kg rode bonen blik, 440 g rode paprika glas, 1,2 kg kikkererwten glas, 400 g linzen glas, 1,3 kg corned beef, 3,5 kg tomaten blik, 1,2 kg balletjes in saus blik, 1,2 kg champignons blik, 700 g tomatenpuree, 30 hot dogs, 20 bockwursten, 3 potten confituur, 3 potten choco, 560 ml ketchup, 3 kg koffie, 1 kg mayonaise, 425 g spinazie glas, 1,6 kg augurken, 1 kg asperges glas, 600 g prinsessenbonen glas, 400 g rode biet glas, 1 kg artisjok glas, 1 kg tonijn blik, 1 kg gedroogde linzen, 600 g olijven blik, chips en nootjes, crackertjes, koekjes. En drie verse vissen :-).

Zestien dagen. Ik geef toe dat ik het na een dag of zeven wat moeilijk had: het duurde te lang, het ging te traag vooruit. Maar een dag later was het weer goed. En nu, na 16 dagen, lijkt het alsof het pas gisteren was dat we Jack stevig vastsnoerden op het voordek, Gerd en Kristel ons uitzwaaiden (meisjes, jullie hadden er bij moeten zijn!), en we nog een laatste foto maakten van ons zes op het achterdek, om te zien of we veranderd zouden zijn bij aankomst. Want iemand zei me onlangs: ‘Als je de oceaan bent overgestoken, ben je een ander mens.’ Geen idee of dat zo is.

Ik loop wel al de hele week met dat ene zinnetje in mijn hoofd, uit een lied van Anthony and the Johnsons: No one can stop you now.

TIJD

Hoe laat het hier nu eigenlijk zou zijn, vragen we ons alledrie bijna tegelijk af. Na aankomst in Sal, Kaap Verdië, zijn we bezig geweest met slapen, internet zoeken, poetsen, schrobben en eten.

Ineens wordt tijd weer belangrijk. Tijd is een afgesproken maat om samen te kunnen leven in een maatschappij. “Morgen tussen halfnegen en tien kom je hier je stempel halen voor je paspoort,” zei de politieagent in Sal. Als je dan je klok niet gelijk zet, krijg je problemen.

Geen tijd hebben. Managers mogen geen tijd hebben, want anders zijn ze niet efficiënt aan het werk.

Tijd màken is ook zoiets. Sommige mensen kunnen tijd maken voor iets. Terwijl anderen dan weer geen tijd hebben voor om het even wat. Daar zou ik wel een zaakje in zien.

Ik had geen tijd tijdens de overtocht van Lanzarote naar Sal. Omdat hij er gewoon niet was. Ook niets om me aan tijd te herinneren (we hadden wel een afspraak om van wacht te wisselen, en die was gebaseerd op tijd).

Maar verder: véél, of net geen tijd. Wanneer het was of hoe lang het duurde dat een dertigtal dolfijnen kwam spelen naast de boot weet ik niet. Ze waren anders: de rug grijs met donkergrijze stippen; de buik lichtgrijs met witte stippen.

Misschien heb ik uren getuurd naar vliegende vissen, want Momo had er al gezien, en uiteindelijk zag ik ze ook: hele zwermen, meters ver vlogen ze boven het water, met zwarte rug en witte buik (later vonden we op het dek een vijftal vliegende vissen, die zich jammerlijk genoeg wat mispakt hadden tijdens hun korte vlucht).

Hoe lang ik ’s nachts gekeken heb naar de oceaan weet ik ook niet. Ik zoefde door het heelal: boven de horizon alle sterren van de wereld; daaronder het zwarte water met flitsende fluorescerende lichtjes (algen? visjes?). En dan zweven. Voor de wind. Warme wind.

Niemand wil gaan slapen dan. Wanneer het tijd is om te gaan slapen, daar heb je geen klok voor nodig. Naar je brooddeeg kijken dat alle tijd krijgt om te rijzen. Dat telt.

Nu, op het eiland Sal, zetten we onze klok een uurtje terug, maar het maakt niet zoveel uit hier. Als ik in het café vraag om hoe laat de bus komt die ons terug naar de baai kan brengen waar we voor anker liggen, wordt er wat verward gereageerd. “Om de 15 minuten misschien?” probeer ik te helpen. Neen. Gewoon. Ga op straat staan en de bus komt. En ja, hij kwam.

Voilà. Nu gij.

MOMO

Lanzarote. Ik weet niet wat ik er van vind. Ik mis hier toch wel wat groen, al doen ze hun best met cactussen, aloë vera en palmbomen. Het landschap is robuust en desolaat. Grijs, zwart en rood. Met de volle maan onlangs leken we wel op een andere planeet te zitten. Lava heeft van dichtbij wel een mooie, natuurlijke structuur – maar het blijft zwart.

We hebben samen met Lieven, Christel en Monia helemaal rond het eiland gezeild, en vanop het water zie je mooie, witte dorpjes, de huisjes als kleine maquettes in het donkere landschap gestrooid.

Terug in Marina Lanzarote, waar zowat alle zeiljachten zich net zoals wij voorbereiden op de grote oversteek naar de Caraïben, zijn er nog steeds enkele jonge lifters op pad: ze schuimen de pontons af op zoek naar een ‘rit’ naar de Caraïben of verder. Sommigen maken een echte advertentie en hangen die op in de toiletten: “Kok nodig? Iemand om ’s nachts de wacht te houden tijdens de oversteek? Dek schrobben? Ik doe het allemaal!”

Momo, een jonge Berlijner, sprak me aan toen we nog in de haven van La Línea de la Concepción lagen, vlakbij Gibraltar. Hij was ook op zoek naar een lift. Dat is nu al meer dan een maand geleden. Eerst zouden we hem een lift geven tot in Rabat, en dan zien of het klikte. Het klikte. Momo stak mee over tot in Lanzarote.

Momo is fijn gezelschap; als we ’s ochtends vroeg met ons tweetjes koffie drinken, vertelt hij wat hij de avond voordien nog heeft gedaan, en wat zijn plannen zijn voor de dag die komen zal. Legt me uit hoe hij een bepaald technisch probleem denkt te kunnen oplossen. Vertelt hoe hij nog op een avocadokwekerij gewerkt heeft, en hoeveel hij houdt van natuurlijke olie op hout. Maar stelt zich ook luidop de vraag wat hij nu eigenlijk vindt van het verplicht dragen van een uniform op school. En doet enthousiast wist-je-datjes: dat er dertien plantensoorten zijn die alleen op Lanzarote groeien. En hoe de boeren hier een creatieve oplossing vonden voor de irrigatie van hun gewassen.

Binnenkort steekt Momo mee over naar de Caraïben. En van daaruit gaat hij op zoek naar een lift met een boot die naar Zuid-Amerika vaart.

Maar stiekem hoop ik dat hij nog wat langer bij ons blijft.

LE MAROC VOUS AIME

We steken over van Rabat naar Lanzarote en slapen in stukjes en brokjes. De trip zal 4 à 5 dagen duren.

Op dag drie zie ik nog steeds sporen van henna op mijn rechterhand. Dat was mooi werk van het meisje in het park. De prijs werd gefikst door Rachid, de Belgisch-Marokkaanse gids van die namiddag. We hadden eerst niet door dat hij ons aan het gidsen was. Hij had ons gewoon op straat aangesproken toen we de medina verlieten. Heel snel bleek dat hij een landgenoot was, en hij toonde fier zijn Belgische identiteitskaart. Et voilà, we waren vertrokken voor een wervelende toer door het prachtige Rabat. Rachid praatte snel, doorspekte zijn verhaal met oneliners en geestige anekdotes, en bleek iedereen en alles te kennen.

Hij sloot de namiddag af met: “En jullie missen wel een pintje of een glas wijn zeker?” Waarop hij ons naar winkeltje loodste met de toonbank in de voorgevel. Op het eerste gezicht werden er blikken asperges verkocht. Maar je zag snel dat de hele kamer vol met drank stond. We kochten wijn en bier tegen een schappelijke prijs. De flessen werden haastig in krantenpapier verpakt.

Ik heb tot vandaag nodig gehad om mijn bezoek aan Rabat, Marokko, Afrika (!) te verwerken.

Explosies van kleuren. Geuren: van heerlijk verfijnd tot vettig en rokerig. Smaken. De lekkerste falafel ooit gegeten in de medina.

Maar heeft me het meest ontroerd: de vriendelijkheid van de mensen. Bienvenue, zeggen ze. Bonjour, ça va? Iedereen. De schoonmaakster, de douanier, de ober als je voorbij zijn terras wandelt. Le Maroc vous aime. En ik hou van Marokko: hoe schoon alles is, hoe iedereen elkaar helpt, hoe meisjes met en zonder hoofddoek met hun vriendjes op café gaan.

Het was maar een proevertje, dat bezoekje aan Rabat. Ik had ook graag de Sahara gezien, al kan ik me daar wel iets bij voorstellen: een oceaan, maar dan met zand, de golfjes ook door de wind gemaakt.

Nu, op N 29°56′ – W 13°03′, ergens op de Atlantische Oceaan, glijd  ik door een woestijn van water.

PETRUS EN DE WOLK

Elektriciteit en water zonder limiet, aan land zonder Jack. Zalig. ’s Ochtends ga ik koffie drinken in een bar. Daarna douchen met veel water. Naar toilet op een wc met een spoelknop. Wat een feest!

Dr NO en Le Grand Bleu liggen in Marina Alcaidesa, bij La Línea de la Concepción. Van hieruit hebben we een prachtig zicht op Gibraltar.

De rots is alomtegenwoordig. Er hangt bijna continu een wolk boven, die gevoed lijkt te worden door de rots zelf (Erik kan die theorie perfect en heel bevattelijk uitleggen, maar doceren mag hij zelf eens in een andere blog. Laat mij maar mijmeren.).

Wanneer we de grens oversteken om in Gibraltar de kabelbaan te nemen om eens van boven op de rots te kunnen kijken, krijgen we een vriendelijke waarschuwing voor we instappen: “Er zijn apen. Véél apen. Ze zijn niet geïnteresseerd in jullie of jullie kinderen, maar wel in wat jullie bij hebben. Plastic zakje? Grissen ze zo uit je handen.” En de begeleider sluit af met: “Trust me, you’ll know what I mean when you get up there.”

En ja. Na een kort tochtje met de kabelbaan (prachtig zicht!) worden we overspoeld door apen, die zich trouwens gewillig laten fotograferen. Eén van de kleinere apen probeert langs mijn been omhoog te kruipen. Ik hou van dieren, echt, maar ben toch blij dat hij het snel opgeeft. Er zijn schattige baby-aapjes, die zonder ouderlijk toezicht tussen de toeristen spelen. Voor mij een teken dat ze ons vertrouwen.

“Deze rots vrààgt gewoon om een blog,” zeg ik tegen Erik. “Zeker,” zegt hij. “En als je nog inspiratie zoekt: weet je wat het Latijn is voor ‘rots’?”

Petrus.

De naam van onze pa, die – mocht hij nog in leven zijn – als 80-jarige met ons mee rond de wereld zou gezeild hebben.

Wanneer we de volgende ochtend vertrekken richting Marokko, staat Petrus ons rustig na te kijken. Met zijn wolk.

MISSEN

Ik ben al weg sinds 28 april. Afscheid nemen was moeilijk, maar ook wel bijzonder. Een beetje zoals doodgaan. Mensen die nog snel iets willen rechtzetten voor je vertrekt. Een bekentenis doen. Heel open zijn. Eindelijk eens zeggen hoe ze over jou en de rest van de wereld denken. Heel mooi.

Vertrekken was niet gemakkelijk; vertrokken zijn was hemels. In een nieuwe wereld gesmeten worden, een spannend decor: geen huis meer, maar een schip. Geen straten met buren meer, maar andere boten die naast je voor anker liggen in telkens weer een andere baai. Zonsondergangen. Manen. Zonsopgangen. Wolken. Golven. Wind.

Maar dan komt het. Het missen.

Niet de keuken met vaatwasser, niet de auto. Wel de familie, de vrienden en de collega’s.

Hoe erg ik haar heb gemist besefte ik pas toen ik alweer afscheid van haar moest nemen afgelopen zaterdag, na haar bezoek van vijf dagen. En nu weer dat missen. Binnen twee weken verhuist ze zelf naar het buitenland.

Ik hoef dus niet naar België. Iemand missen kan je overal.

SCHRIFTJE

Mijn schriftje is bijna vol. Ik kocht het in mei in Missalonghi, waar Eline en ik helemaal uit ons dak gingen omdat we er een knutselwinkel vonden.

Het schriftje is een begrip geworden op de boot. Wouter weet dat het belangrijk is voor mij, en als ik het kwijt ben laat hij meteen alles vallen om te helpen zoeken.

Het schriftje is geen dagboek, eerder een verzameling van dingen die ik anders op losse blaadjes of een post-it zou schrijven: receptjes, boodschappenlijsten, zaken die ik niet mag vergeten. Dorien lactosevrij. Peter geen tomaat. Gin meebrengen voor Rob.

Het is ook een stille getuige van de onnozele dingen die we ’s avonds doen: kladjes met maffe ontwerpen voor een eigen vlag voor Le Grand Bleu (een wereldbol met een poes die er rond stapt). De plakkertjes die we op ons voorhoofd plakken bij het spel ‘wie ben ik’.

De kladversie van mijn blogs, zoals deze. Een vergeten Italiaanse postzegel (gevonden toen we al in Mallorca waren).

De vertrektijden van de vluchten voor Maya: 11/09 Tuifly 17u20, 16/09 Ryanair 14u45. Nog acht dagen. Ik ga in haar wangen knijpen als ze hier is.

En dan begin ik een nieuw schriftje.

JACK Y JAMES

Wat een leven.

Er is de voorbije 2 weken zoveel gebeurd dat ik het niet meer op en rijtje krijg.

Een (onsamenhangende) samenvatting.

Formentera, een mini-eilandje ten zuiden van Ibiza, is zo charmant dat ik mij moet inhouden om er niet te blijven plakken. Toen we er voor anker lagen hebben we er wel een woeste storm doorstaan van 50 knopen (ongeveer 10 Beaufort, jawel), maar naast een paar dingen die weggewaaid zijn hebben we nauwelijks schade ondervonden. Stoer schip he.

Een weekje later leuke gasten aan boord, heel gezellig: de zusjes Iris en Dorien met mama Nicole, het koppel Alida en Peter, en Rob. Lekker veel gezeild, gezwommen en gesnorkeld, gegeten en gedronken, en gefilosofeerd over het leven.

Gsm verzopen in het zeewater. Balen. Enkele dagen later Wouter’s gsm verzopen. Balen met z’n tweeën, het schept een band :-).

En sinds twee weken eindelijk terug samen met Dr NO. Vanaf nu zeilen we in duo.

Hasta luego! (Volgens mijn app kan ik al 40% Spaans. Hm. Ik denk dat die app gewoon een heel lieve juf is.)

Karina

Le Grand Bleu en Dr NO samen in Ibiza

Jack (bijboot van Le Grand Bleu) en James (van Dr NO) samen gezellig in Ibiza

Een ‘Lenceria’ in Ibiza. En dan moet ik aan mijn vriendin Lence denken 🙂

BEAUTIFUL PEOPLE

Mallorca.

Het is avond en vanop de preekstoel ziet het zwarte water er uit als een gigantisch gerimpeld deken, zachtjes uitgeschud door de reuzin van de zee.

Vorige zaterdag zijn er acht gasten aan boord gekomen: twee koppels met elk twee prachtige dochters. Al heel snel werd het een speelse, plezante boel: “Geef nou een lepel voor die chili joh, dat spaart een hoop voor de vaat!”

Samen bedachten we een systeem om glazen herkenbaar te maken voor de dag, zodat we niet voortdurend hoefden af te wassen. Met nagellak kreeg elk glas een naam, maar om het wat pittiger te maken: niet de naam van de mensen aan boord, maar van duo’s. Jip en Janneke. Tom en Jerry. Bonnie en Clyde. En ja, Jaap en Peter, want dat is me ook een stelletje. En zo kan je dus vragen of Popeye nog een wijntje krijgt.

De twee vaders, Jaap en Peter dus, deden een continu verbaal steekspel, en als ze te moe waren was het gewoon ouwehoeren. En sloten de avond af met: “Truste, ouwe zeikerd.” Waarop ze samen op een cadans de nacht in snurkten.

En lang nadat iedereen gaan slapen was, kon ik nog meegenieten van het gegiechel van uit de kajuit van Liz en Juliëtte. Mensen die giechelen zijn gelukkig.

En o ja, tussendoor hebben we prachtige baaitjes ontdekt en gesnorkeld aan witte strandjes. In grotten op het water gehuild om zoveel schoonheid.

Het is zo fijn om nieuwe mensen te ontmoeten.  Maar waarvan je ook telkens weer afscheid moet nemen. Dankjewel Jacqueline, Jaap, Karen, Peter, Liz, Juliëtte, Janine en Britt.

Met Jack naar een baaitje.

Beautiful Liz.

Peter vist!

Chillen met Jaap, Liz en Juliëtte

TEENSLIPPERS

Mallorca.

Het is elke dag zó warm dat om het even welk kledingstuk, hoe licht ook, aan je huid kleeft. Sommige zeilers zie je wel eens poedelnaakt op hun boot zitten. Ik hou het voorlopig nog beschaafd, maar ik realiseer me dat 70% van mijn garderobe op deze reis van weinig nut zal zijn. Ik draag enkel topjes en shorts. Van de T-shirts heb ik de mouwen al afgeknipt, zelfs van die met korte mouwtjes. Pijpen afgeknipt van jeansbroeken, lange jurken ingekort. Mijn jas en dikke trui heb ik een tijdje geleden al zo goed weggestopt dat ik de boot binnenstebuiten zou moeten keren om ze terug te vinden.

Aan mijn voeten enkel teenslippers als we aan land gaan. Ik moet denken aan Thomas Siffer, die in zijn boek “Land in Zicht” ook beschreef hoe hij plots besefte dat hij al twee jaar geen schoenen had aangehad.

Evert, een sympathieke zestigplusser die een aantal jaren geleden samen met zijn vrouw Corry ook rond de wereld zeilde, en die we ontmoetten in Olbia, Sardinië, zei het zo: “Je voeten? Die krijg je nooit meer schoon. En de eerste keer dat je terug een lange broek aan moet. Pijn! Echt!”

Maar mij hoor je niet klagen :-).